dinsdag 20 oktober 2009

Zolang het hart nog klopt

Overdag gaat het wel met me, heus. En zolang ik maar bezig gehouden word, ben ik de vrolijkheid zelve. Echt waar. Niemand ziet dat er iets ernstig mis met me is. Voor nietsvermoedende voorbijgangers lijk ik een manskerel in de bloei van zijn leven. Knap, succesvol en gelukkig. Ja, ik zou mezelf bijna benijden op die momenten. Maar dan breekt het nachtelijk uur aan waarin er niets om handen is. En meteen heb ik op mijn matras de poppen aan het dansen. Terwijl mijn geliefde, wellustig in dromenland, zich nog eens knorrend omwoelt, word ik langzaam maar zeker overschaduwd door een wolk van duisternis. Het begint met vreemde geluiden. Wat hoor ik daar? Is de achterdeur wel goed afgesloten? Zijn alle stekkers overal uitgetrokken? De ramen dicht? Ademen de kinderen nog wel? Stroomt er geen gas de keuken in waardoor we vannacht allemaal in één machtige explosie tot menselijke kebab uiteengereten zullen worden of minstens levend zullen verbranden? Wat als ze ons vannacht komen vastbinden en afschuwelijk mishandelen en we pas na uren worden afgemaakt? Hoe moet ik mijn gezin beschermen? Zelfs die nietsvermoedende voorbijgangers overdag zien dat ik allesbehalve een held ben. Zal ik vrouw en kinderen verraden om zelf het vege lijf te kunnen redden? Moeten we uit voorzorg niet emigreren naar het platteland van een nog niet ontdekte landstreek en daar een leuk houten huisje betrekken met een fijne bloementuin eromheen? Of leven daar wolven en hyena’s? Terwijl ik inmiddels de verhuiswagen al voor de vierde keer aan het inruimen ben omdat alles er telkens niet in past, verlang ik naar mijn onbezorgde jeugdjaren.

Tegen de tijd dat de gieren likkebaardend boven de verhuiswagen cirkelen, begin ik overal in mijn lichaam eigenaardige en tot onrust stemmende steken en pijnen te voelen. Ik vervloek mezelf dat ik zo eigenwijs ben me niet te laten nakijken. Gewoon een algemene checkup, om me gerust te stellen. Maar ja, hoe vaak zitten artsen er niet naast, vooral bij de ernstige gevallen. Dat hoor je keer op keer. Gezwellen in mijn lever, longkanker, afstervende bloedvaten waardoor mijn been afgezet moet worden, een dreigend aneurisma, een maagbloeding door teveel bubbels in mijn cola light, een herseninfarct dat een behoeftige, kwijlende idioot van me zal maken, doofheid aan één oor. Het kan me allemaal overkomen. Waarom anderen wel en mij niet, tenslotte? Moet ik een euthanasieverklaring invullen nu het nog kan, of moet ik juist het lijden voldragen? En zal ik er nog hetzelfde over denken als de nood werkelijk aan de man is? Je moet er toch waarachtig niet aan denken dat er zo’n griezeldokter op je af komt met een injectienaald van middeleeuwse proporties en dat je uit wilt schreeuwen “Nee, niet doen, ik heb het nog reuze naar mijn zin!”, maar dat je dat niet kunt omdat je verlamd bent. U merkt wel dat de nachtelijke demonen handenwrijvend en luid zingend bij mij aankloppen als ze zichzelf een lolletje beloofd hebben.

Wanneer uiteindelijk alle denkbare aandoeningen en gesteldheden de revue gepasseerd hebben, slaat me pas werkelijk de schrik om het hart. Letterlijk. Mijn hart bonkt als een waanzinnige door heel mijn lijf, dat overigens stokstijf op zijn rug ligt. De slagen zijn onregelmatig, ik weet het zeker. En het is ook erger dan de vorige nacht. Daar dient zich weer een roffel hartkloppingen aan. Een onheilspellende stilte volgt. Is de hartslag nu helemaal weggevallen? Ja hoor, volgens mij begin ik het bewustzijn al te verliezen… Oh nee, toch niet. Nou, deze keer mag ik dan van geluk gesproken hebben, maar de volgende keer…

En dan weet ik het zeker: ik zal het niet overleven. Morgenochtend stoot mijn geliefde tegen een kil kadaver van een slordige honderd kilogram aan. Het zal een sobere doch stijlvolle uitvaart worden. Met wijn en schimmelkaas na afloop, dat wel natuurlijk. Iedereen zal me vreselijk missen. Maar ja, het leven gaat nu eenmaal door, en de vakantie was al geboekt, dus verder geen tijd om te treuren. Ik onder de groene zoden, en de rest van de wereld kwebbelt opgewekt verder.

Dit en nog veel meer krijg ik in de nachtelijke uren allemaal voor mijn kiezen. En dan zijn er nog lieden die er van opkijken dat ik er ’s ochtends inderdaad uitzie alsof ik zojuist ben opgegraven. Geen oog dicht gedaan, doodsangsten uitgestaan, geëmigreerd, mijn eigen uitvaart smaakvol geregisseerd, medische diagnoses gesteld, gestorven en weer verrezen. Het is een mirakel dat ik dat allemaal red voor het krieken van de dag. Mag ik er dan belabberd uitzien, dankubeleefd? Nee, over de doden doorgaans niets dan goeds, ik ben tenslotte een fatsoenlijk mens, maar ik blijf voorlopig liever nog even angstzwetend en wel aan deze kant van de Styx.

Zolang het hart nog klopt in mijn borst, hoeft de orgaanmaffia zijn messen niet te slijpen. Met de moed der wanhoop klamp ik mezelf aan het leven vast, en dank mijn beschermengel wederom dat ik de ochtend gehaald heb. Hoeveel overuren die trouwe fladderaar al gemaakt heeft, durf ik niet eens te benaderen, maar met dierendag krijgt ‘ie van mij een flinke kluif. Niet van mijzelf natuurlijk. Ik moet nog langer mee. Ondertussen mag hij overigens wel uitzoeken welke genen bij mij dominant zijn. Die van mijn moeder, die binnen een paar weken door een niet zo hippe vorm van kanker weggevreten werd, of die van mijn vader, die stamt uit een lange lijn van hartlijders. Dan weet ik alvast hoe ik binnenkort mijn nachten moet gaan doorbrengen. Dat is een opwekkende gedachte voor deze dag.
-o0o-

Geen opmerkingen:

Een reactie posten